|
Wie hulpbehoevend is heeft niet zo veel in te brengen. Die is afhankelijk van de toevallige verzorger. Dat kan goed gaan, dat kan voor hetzelfde geld een persoonlijke ramp zijn. Wie familie heeft in een verpleeg- of verzorgingshuis, of zelf in een positie is gekomen van afhankelijkheid van hulp weet erover mee te praten. De mensen bedoelen het allemaal goed, anders zouden ze dit werk nooit hebben gekozen. Maar de bejegening van mensen in een afhankelijke positie is vaak tenenkrommend. Als je bedenkt dat eenzaamheid vaak het gevolg is van een verstoring in het levenspatroon, dan ligt het voor de hand te verwachten dat mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen een grote kans maken op gevoelens van eenzaamheid. Hoe je daarmee zo goed mogelijk om kunt gaan is te leren. Iedereen die in de zorg werkzaam is zou dan ook als vast onderdeel van de opleiding hierin geschoold moeten zijn. Dat eenzaamheid de kop opsteekt als de veiligheid van mensen wordt bedreigd, betekent dat de eerste opdracht is: een zo veilig mogelijke omgeving scheppen. Dat kan het best door vaste patronen te creëren. Vaste tijden voor eten en drinken, vaste tijden voor bewassing, regelmaat in uitjes en behandeling. Het vertrouwde zo lang mogelijk vasthouden, bijvoorbeeld door het gebruik van eigen meubels, beddengoed en prulletjes. Dat alles geeft een gevoel van veiligheid dat de basis vormt voor welbevinden. Geen contacten opdwingen, maar de behoefte van de mens centraal stellen. Oei... dat gaat dus nog wel eens mis. Over eenzaamheid bestaat, zeker in de zorg, veel kennis. Toch gaat het nog vaak mis. Er wordt gedacht dat mevrouw Van Dam wel gelukkig zal zijn, elke week krijgt ze bezoek van haar kinderen. Van meneer Visser denken ze dat hij wel erg eenzaam zal zijn. Hij heeft weinig contacten en zit eeuwig en altijd met zijn neus in de boeken. En als mevrouw Van Dam dan verdrietig is en klaagt over eenzaamheid, is het: "Kom, kom, mevrouw Van Dam, ik zag net uw dochter nog lopen. En komt die niet iedere week? Nee, als meneer Vis nu zou klagen over eenzaamheid, dan zou ik het geloven. Maar die hoor ik nooit klagen..." Er wordt veel verondersteld. Mevrouw Van Dam, die echt last heeft van eenzaamheid, durft nu niets meer te zeggen, want dan is ze een zeur. En meneer Vis? In de toon van mensen die met hem omgaan klinkt vaak iets bezorgds, iets van medelijden. Er wordt op hem ingepraat: zou het niet leuk zijn als hij eens meeging met de bus? Moet hij er niet eens uit, onder de mensen komen? Meneer Vis had geen probleem, maar krijgt het nu wel. Hij wordt niet begrepen. Niet geaccepteerd zoals hij is. De basis voor eenzaamheid is nu ook hier gelegd. Als mensen werkelijk de kans kregen te praten over hoe zij zich voelen, kan er beter, persoonlijker, gerichter worden gewerkt. Dan moet je wel weten wat je moet doen en hoe!
|